Skutsje.nl

De laatste reis van de jonge Andries

Foto( stichting foar de Neiteam)

Wachten op vracht in Appelscha

In het dorp Appelscha lagen enkele kleine Friese tjalkjes klaar om nieuwe vracht op te nemen. Dicht bij het Bovenste Verlaat, verscholen onder zware eiken, lag ook De Jonge Andries: een binnenvaartscheepje van amper dertig ton (L 609 N). De bemanning bestond uit drie personen: de broers Andries (20) en Johannes (18), en hun zusje Agatha Henriëtte Wiersma (16). Hun ouders, Dedde en Antje, en hun oudste broer Pieter waren al vroeg overleden. Andries was bovendien nog nauwelijks hersteld van de Spaanse griep toen het skûtsje Appelscha bereikte om een vrachtje te vinden.

Foto: stichting foar de neteam)

Het leven aan boord

In de kleine roef hing warmte. Een tafeltje met een petroleumlamp, twee stoeltjes en een stapbank vormden het eenvoudige meubilair. Johannes kon, zittend op een laag stoeltje, met uitgestrekte armen alle kanten van de roef aanraken. In de nadagen van de Eerste Wereldoorlog lagen de verdiensten laag en duurde het vaak lang voordat er vracht beschikbaar kwam. Voor De Jonge Andries liep dat inmiddels al tien dagen op, en elke dag kostte geld.

Andries zat nog wat ziekjes in de roef en wachtte op Johannes, die naar de scheepsbevrachter was gegaan. Even later kwam Johannes met een grote glimlach terug: ze moesten direct vertrekken om de volgende ochtend aardappelen te laden bij het spoor van de stoomtram naar Assen, bestemd voor Leeuwarden.

De gezondheid van Andries verslechtert

Andries reageerde matig enthousiast, wat Johannes direct opmerkte. Omdat zijn broer nog niet volledig hersteld was, stuurde hij hem naar bed. Tegen de avond werkte Johannes, doodmoe, de laatste voorbereidingen af. De volgende ochtend moesten ze immers varen. Toen hij de roef binnenstapte, zag hij Andries in de bedstee onder het achterdek: hijgend, koortsig en vuurrood van het zweet. Een dokter vinden was lastig in dit afgelegen gebied. Johannes besloot eerst te slapen, de volgende dag te laden en daarna verder te kijken. Hij legde een oude fok uit het vooronder neer en sliep daarop, in plaats van naast Andries.

Westersingel Leeuwarden (foto stichting foar de neiteam)

Een zware reis naar Leeuwarden

De volgende dag werkten ze hard om het schip vol te krijgen met veenaardappelen. Johannes was uitgeput en zag op tegen de tocht naar de hoofdstad. Hij schreef een brief aan zijn oom Geert Straatsma in Ermelo met het verzoek om hulp. Er volgde een reis van vier dagen: overdag ploeterden ze moeizaam voort en ’s nachts sliepen ze nauwelijks. De toestand van Andries ging elk uur achteruit, ondanks de zorg van zijn zus, die ondertussen ook hielp bij het varen.

In Leeuwarden begonnen de arbeiders direct met lossen. Zodra Johannes even weg kon, zocht hij een dokter op in de voor hem vreemde stad. Het nieuws was slecht: Andries had hoogstens nog een week te leven en moest onmiddellijk uit de benauwde roef.

Hulp van familie

Andries stelde voor om oom Eeltje, de oudste broer van hun moeder, te waarschuwen. Hij had het skûtsje laten bouwen, er zelf op gevaren en de familie al vaker geholpen. Johannes stuurde een telegram en liep terug naar het schip. Daar zag hij een man met een bezem aan dek: het was oom Eeltje. De brief uit Appelscha had oom Geert bereikt, die vervolgens zijn oudere broer had gevraagd om ook naar Leeuwarden te komen. De kinderen hadden hulp nodig.

Eeltje stelde Johannes gerust, terwijl Geert naar de dokter ging. Bij terugkomst vertelde hij dat opname in het ziekenhuis onmogelijk was. Na overleg besloten de broers dat Andries diezelfde nacht naar Rinsumageest zou gaan om bij Eeltje thuis verzorgd te worden. Geert hielp aan boord, terwijl Eeltje vooruit naar huis fietste.

Aankomst in Rinsumageest

Thuis vertelde hij zijn vrouw Antje Smits over de situatie. Zij twijfelde eerst, want ze hadden al tien kinderen in hun kleine huis. Ondertussen voer De Jonge Andries door de stille, zwoele zomernacht over de Dokkumer Ee. Rond twee uur ’s nachts naderde het schip zijn bestemming. Andries dacht aan zijn leven en aan het harde werken waarmee zij hadden geprobeerd de schuld op hun kleine, maar mooie scheepje zo snel mogelijk af te lossen.

De laatste dagen van Andries

De volgende ochtend droegen ze de doodzieke Andries op een ladder met daarop een matras uit het benauwde skûtsje. Ze brachten hem naar het schone, frisse bijkeukentje, waar een ledikant van het Groene Kruis klaarstond. Van de dokter mochten de kinderen niet bij hem komen, maar Johannes bleef ’s nachts naast hem slapen. Een touw om hun polsen gaf zekerheid dat hulp altijd dichtbij was. De dagen verliepen betrekkelijk rustig.

Toch gingen Andries’ longen ondanks de frisse lucht snel achteruit. Hij bleef helder van geest, maar zijn ogen werden doffer en zijn ademhaling oppervlakkiger. Na vijf dagen overleed hij. Johannes en Agatha moesten verder zonder hun broer. Zij bleven nog tot 1924 schipperen en vertrokken daarna naar Amsterdam, waar zij als verpleger gingen werken.

Het verdere lot van het skûtsje

Het skûtsje kwam daarna in handen van de Leeuwarder schipper Petrus Steneker, die het schip in 1929 via het Scheepsbouwkundig Bureau Het Noorden naar Duitsland verkocht. Het bij Barkmeijer in Dokkum gebouwde skûtsje is tot op heden nog niet teruggevonden.

Weet jij meer over de Jonge Andries ga dabn naar: https://skutsjehistorie.frl/ of stuur een mailtje naar info@skutsje.nl

Meer lezen oude verhalen lezen ga dan naar: https://skutsje.nl/terug-in-de-tijd-storm-en-ramp/

Mobiele versie afsluiten